Ga naar de inhoud

Je schatten op een open handpalm

zomer deel 1 (56 van 63)

Op een stoel sta ik  naast de hoogslaper van zoonlief. Met mijn armen over de rand kan ik net mijn hand op zijn hoofd leggen. Ik bid voor hem, zoals elke avond, en zoals elke avond krijg ik daarna een dikke knuffel. “Liefste vriendje”, zeg ik. “Liefste mamaatje”, zegt hij. Het is een vast ritueel en heel vaak vind ik dat heel gewoon. Vanavond gaan mijn gedachten naar dat andere kind. Zijn ouders moest afscheid van hem nemen. Hoe doe je dat? Hoe laat je een kind los dat je zo intens lief hebt? En hoe kan ik leven met onze kinderen, in de wetenschap dat ze zó kwetsbaar zijn? Hoe kan ik tegelijkertijd zielsveel van hen houden en weten dat ze slechts ‘geleend goed’ zijn?

‘Wat een rijkdom, een kostbaar bezit’, appt iemand mij bij het zien van een foto van onze vier kinderen. En inderdaad, ik kan niet dankbaar genoeg zijn voor wat de Heere ons in hen heeft gegeven. Maar bezit? Zijn ze ons bezit? Dan toch slechts tijdelijk… Dat zéggen is niet zo moeilijk. Maar hoe zou ik reageren als de Heere mijn schatten van me weg zou nemen? Zou ik dan toch niet denken dat Hij daarmee iets heel verkeerd doet, omdat ik recht op ze heb?

Die vier kinderen, de één net zo lang als ik, de ander soms nog lekker op mijn schoot, wat voel ik me aan hen verbonden. We bidden het vaak samen: ‘Heere, wilt U ons genade geven om hen los te laten als U hen terug wilt hebben’. Maar wat betekent dat voor de manier waarop ik met onze kinderen leef? Zie ik hen toch niet als mijn bezit?

Bezitter

In hoofdstuk 7 van het boek Elke dag nieuw – roeping en verwachting voor moeders vandaag schreef ik daarover. Zien we onszelf als moeder als bezitter van onze kinderen? Dan zijn wij 100% verantwoordelijk voor hun welbevinden. Dan zien we onszelf falen als ons kind anders is dan we zouden willen. Dan is ons kind ons levensdoel en stort onze wereld in als het met ons kind niet goed gaat. Dan hangt onze reputatie af van onze kinderen. En voelen we ons persoonlijk gekrenkt als onze kinderen niet doen wat wij willen of ongehoorzaam zijn. Wat zie ik mezelf daar elke keer weer in terug! Dat zijn valkuilen waar ik maar al te makkelijk in stap.

Wat zou het anders zijn als ik onze kinderen niet zou zien als mijn bezit, maar als schatten die ik te leen gekregen heb, om heel goed voor te zorgen. ‘Ouders zijn de handen van God op aarde’, las ik ergens. Als we onszelf zó zien dan kijken we ook anders naar onze kinderen. Dan willen we heel zuinig op hen zijn, omdát ze van de Heere, Zijn maaksel zijn. Dan mogen we hen in Gods handen leggen als het niet goed met hen gaat, als wij hen niet begrijpen of als ze niet presteren wat de maatschappij van hen verwacht. Dan zien we hun ongehoorzaamheid als zonde tegen God en mogen we hen wijzen op hun zondige hart, maar bovenal op het kruis van Christus. Dan vragen we Hem elke dag om wijsheid, liefde, hulp en kracht, omdat het opvoeden van onze kinderen werk voor Hem is.

Loslaten

En als de Heere ons vraagt om onze kinderen aan Hem terug te geven? Ik kan me niet voorstellen hoe het moet zijn om een kind te verliezen. De gedachten van een moeder die dat nooit heeft meegemaakt, staan hier stil. Stil word ik ook als ik lees wat Hanna da Costa daarover schrijft in haar dagboek. Zij was achttien keer zwanger, beviel negen keer van een levend kind en moest daarvan zes kinderen al jong begraven. In het volgende dagboekfragment beschrijft ze hoe ze samen met haar man haar dochtertje Esther ziet sterven op de leeftijd van bijna twee jaar oud en haar mag teruggeven in de handen van de Heere.

Wanneer hij eindigde met de woorden: ‘Heere Jezus, kom haastelijk, ja, kom haastelijk, amen,’ ging haar ziel opwaarts, en mijn kind, mijn enige dochtertje was niet meer. Zeer groot was deze strijd voor mij, voordat ik dit dierbaar kind kon overgeven. Dan, de Heere brak door Zijn gunstige kracht door, en gaf mij mijn lieve Esther gerust in Zijn lieve handen te kunnen overgeven, hebbende haar bij de doop aan een Drie-enig God opgedragen. Daar werd ik bij bepaald, en begreep dat zij niet mijn eigendom was, maar een geleend pand, voor wie de Heere wat heerlijkers had weggelegd. Van dit ogenblik was ik geruster en zag haar adem langzamerhand met kalmte verminderen. Zacht en heerlijk was haar overgang.

Een open handpalm

In het indrukwekkende boek ‘In de arena’ van Isobel Kuhn las ik er ook over. Terwijl ze in de dienst van de Heere werkt in China, wordt bijna alles wat haar lief is haar afgenomen. Ze schrijft daarover:

De moeilijke lessen van 1942 leerden mij om mijn echtgenoot, kind, vrienden en alles wat ik bezat, wel vast te houden, maar als het ware op de open palm van mijn hand. Ik moest het recht dat ik op hen dacht te hebben opgeven. Ik moest leren vrezen om te sterk op hen te leunen. Houd je schatten op de open palm van je hand. Als je iets stevig in je vuist geklemd houdt, zal God je misschien pijn moeten doen als Hij je vingers openbuigt en het je afneemt. Ik ben het nooit zo gemakkelijk gaan vinden dat ik het niet voelde, wanneer mijn schatten mij werden afgenomen, maar het maakte wel een enorm verschil. Het behoedde mij voor instorten of de moed opgeven. De natuurlijke liefde moet worden gekruisigd om vervuld te kunnen worden met Gods liefde.

Ik kijk naar mijn handen, die onze kinderen mogen vasthouden, dragen, knuffelen en koesteren. ‘Heere, leer me om mijn schatten vast te houden in een open handpalm. Ik ben geneigd ze te omklemmen. Maar ze zijn van U. U gaf hen aan ons te leen. Leer mij alstublieft om zo met hen te leven. In grote liefde en vreugde, maar vooral in overgave aan U’.

 

Beeld: Mirjam van der Wart

Elise Pater

Elise Pater is getrouwd met Bart, moeder van vier en woont in Ede. Ze ziet ernaar uit dat gezinnen kleine kerkjes in de kerk mogen zijn, waardoor Gods Koninkrijk gebouwd wordt. Tot eer van Hem! Lees verder

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Verder lezen

Je gaat naar de webshop