Je schatten vasthouden in een open handpalm

Boven de box gebogen sta ik, waar onze dochter van 4 weken oud, haar knuistjes omhoog naast haar hoofd, roerloos ligt te slapen in haar reiswieg. Ademt ze wel? Zachtjes aai ik haar wangetje en zie haar kleine oogleden trillen. Ik glimlach om haar onderkinnetje. En dikke wangen krijgt ze! Een kerngezonde baby. Mijn gedachten gaan voor de zoveelste keer naar dat andere pasgeboren kindje, waar de ouders zo heel anders overheen gebogen staan. Ze moeten afscheid van hem gaan nemen. Hoe doe je dat? Hoe kan je zo’n kostbaar kleintje loslaten? En hoe kan ik leven met onze kinderen, in de wetenschap dat ze zó kwetsbaar zijn? Hoe kan ik tegelijkertijd zielsveel van hen houden en weten dat ze slechts ‘geleend goed’ zijn?

‘Wat een rijkdom, een kostbaar bezit’, appt iemand mij bij het zien van mijn profielfoto van onze vier kinderen. En inderdaad, ik kan niet dankbaar genoeg zijn voor wat de Heere ons in hen heeft gegeven. Maar bezit? Zijn ze ons bezit? Dan toch slechts tijdelijk… Dat zéggen is niet zo moeilijk. Maar hoe zou ik reageren als de Heere mijn schatten van me weg zou nemen? Zou ik dan toch niet denken dat Hij daarmee iets heel verkeerd doet, omdat ik recht op ze heb?

Dit mini-mensje, een roze vlekje op haar linker ooglid, handjes die me zo stevig vastpakken als ik haar voed, wat voel ik me aan haar verbonden. Wat heeft ze in die vier weken dat ze bij ons is een grote plaats gekregen in ons hart en in ons huis. We bidden het vaak samen: ‘Heere, wilt U ons genade geven om hen los te laten als U hen terug wilt hebben’. Maar wat betekent dat voor de manier waarop ik met onze kinderen leef? Zie ik hen toch niet als mijn bezit?

Bezitter-moeder, of…

In hoofdstuk 7 van het boek Elke dag nieuw – roeping en verwachting voor moeders vandaag schreef ik daarover. Zien we onszelf als moeder als bezitter van onze kinderen? Dan zijn wij 100% verantwoordelijk voor hun welbevinden. Dan zien we onszelf falen als ons kind anders is dan we zouden willen. Dan is ons kind ons levensdoel en stort onze wereld in als het met ons kind niet goed gaat. Dan hangt onze reputatie af van onze kinderen. En voelen we ons persoonlijk gekrenkt als onze kinderen niet doen wat wij willen of ongehoorzaam zijn. Wat zie ik mezelf daar elke keer weer in terug! Dat zijn valkuilen waar ik maar al te makkelijk in stap.

Wat zou het anders zijn als ik onze kinderen niet zou zien als mijn bezit, maar als schatten die ik te leen gekregen heb, om heel goed voor te zorgen. ‘Ouders zijn de handen van God op aarde’, las ik ergens. Als we onszelf zó zien dan kijken we ook anders naar onze kinderen. Dan willen we heel zuinig op hen zijn, omdát ze van de Heere, Zijn maaksel zijn. Dan mogen we hen in Gods handen leggen als het niet goed met hen gaat, als wij hen niet begrijpen of als ze niet presteren wat de maatschappij van hen verwacht. Dan zien we hun ongehoorzaamheid als zonde tegen God en mogen we hen wijzen op hun zondige hart, maar bovenal op het kruis van Christus. Dan vragen we Hem elke dag om wijsheid, liefde, hulp en kracht, omdat het opvoeden van onze kinderen werk voor Hem is.

Loslaten

En als de Heere ons vraagt om onze kinderen aan Hem terug te geven? Ik kan me niet voorstellen hoe het moet zijn om een kind te verliezen. De gedachten van een moeder die dat nooit heeft meegemaakt, staan hier stil. Stil word ik ook als ik lees wat Hanna da Costa daarover schrijft in haar dagboek. Zij was achttien keer zwanger, beviel negen keer van een levend kind en moest daarvan zes kinderen al jong begraven. In het volgende dagboekfragment beschrijft ze hoe ze samen met haar man haar dochtertje Esther ziet sterven op de leeftijd van bijna twee jaar oud en haar mag teruggeven in de handen van de Heere.

Wanneer hij eindigde met de woorden: ‘Heere Jezus, kom haastelijk, ja, kom haastelijk, amen,’ ging haar ziel opwaarts, en mijn kind, mijn enige dochtertje was niet meer. Zeer groot was deze strijd voor mij, voordat ik dit dierbaar kind kon overgeven. Dan, de Heere brak door Zijn gunstige kracht door, en gaf mij mijn lieve Esther gerust in Zijn lieve handen te kunnen overgeven, hebbende haar bij de doop aan een Drie-enig God opgedragen. Daar werd ik bij bepaald, en begreep dat zij niet mijn eigendom was, maar een geleend pand, voor wie de Heere wat heerlijkers had weggelegd. Van dit ogenblik was ik geruster en zag haar adem langzamerhand met kalmte verminderen. Zacht en heerlijk was haar overgang.

Een open handpalm

In het indrukwekkende boek ‘In de arena’ van Isobel Kuhn las ik er ook over. Terwijl ze in de dienst van de Heere werkt in China, wordt bijna alles wat haar lief is haar afgenomen. Ze schrijft daarover:

De moeilijke lessen van 1942 leerden mij om mijn echtgenoot, kind, vrienden en alles wat ik bezat, wel vast te houden, maar als het ware op de open palm van mijn hand. Ik moest het recht dat ik op hen dacht te hebben opgeven. Ik moest leren vrezen om te sterk op hen te leunen. Houd je schatten op de open palm van je hand. Als je iets stevig in je vuist geklemd houdt, zal God je misschien pijn moeten doen als Hij je vingers openbuigt en het je afneemt. Ik ben het nooit zo gemakkelijk gaan vinden dat ik het niet voelde, wanneer mijn schatten mij werden afgenomen, maar het maakte wel een enorm verschil. Het behoedde mij voor instorten of de moed opgeven. De natuurlijke liefde moet worden gekruisigd om vervuld te kunnen worden met Gods liefde. 

Ik kijk naar mijn handen, die dit kindje dagelijks vasthouden, dragen, koesteren. ‘Heere, leer me om mijn schatten vast te houden in een open handpalm. Ik ben geneigd ze te omklemmen. Maar ze zijn van U. U gaf hen aan ons te leen. Leer mij alstublieft om zo met hen te leven. In grote liefde en vreugde, maar vooral in overgave aan U’.

 

De tweede druk is er! Bestellen? Dat kan hier. 

 

 

 

 

Hoe deel jij dit bericht met je vrienden?Email this to someone
email
Pin on Pinterest
Pinterest
0Share on Facebook
Facebook
29Tweet about this on Twitter
Twitter

8 comments

  1. Annemieke says:

    Dank je wel voor deze blog! De Heere doet wonderen, ook op momenten van diep verdriet. Tijdens mijn zwangerschap hebben we gevochten voor het leven van onze Jonah. Zo lang hij bij mij was mocht hij leven. Wat was het een bijzondere tijd, hopend op een wonder. Dit wonder kwam zo anders. Jonah is in Gods ogen volmaakt en mag thuis zijn bij zijn Hemelse Vader. Het gemis is er maar ook dat besef dat ons kind een Koningskind mag zijn! God laat ons niet alleen. Op de dag van de begrafenis lag er een pak sneeuw en had zelfs de begraafplaats iets ‘moois’. Met elkaar mochten we zingen van de grote kinder schaar voor Gods troon waar ook wij wensen heen te gaan. Met onze kinderen God loven en prijzen.

  2. Anna says:

    Wat een les he, om onze ‘bezittingen’ op deze manier vast te leren houden. Ik worstelde deze week precies met dit onderwerp en ervaar dat het bij mij onmogelijk is om zo mijn dierbaren vast te houden. Wat hebben we dan ook hierin Gods genade nodig.

  3. Nellianne says:

    Ik had je blog gisteren gelezen en liep er zomaar nog wat over na te denken. Het is inderdaad zo nodig om daarbij bepaald te worden, dat het krachtens schepping kinderen van de Heere zijn in de eerste plaats en in de tweede plaats pas van ons als ouders. En toch, als de Heere één van onze kinderen wegneemt dan is er genade, ja grote genade voor nodig om het eens te zijn met Hem. Dan voel je pas hoe diep je verbonden bent aan je kind(je) als de band wordt doorgesneden. Ik moest nog denken aan het volgende leerzame gedicht:

    Het Uwe en het mijne.

    ‘k Hield vast omsloten in mijn hand
    een schone edelsteen;
    zo zuiver en zo schitterend
    vond ik er nimmer een.
    Het was mijn eigendom, mijn schat,
    geschenk van God, de Heer,
    geen ander die ’t bewaken zou
    zo liefdevol en teer.

    Doch zie, daar vroeg op zek’re dag
    de Meester mijn juweel,
    Ik smeekte Hem: “Ach Vader nee!
    dat niet, dat is teveel!”
    Toen sprak de Meester zacht tot mij:
    “Ik doe ’t uit liefde, kind,
    opdat gij eenmaal in Mijn kroon
    het schoner weder vindt.”

    “Ach Meester, ’t is mijn grootste schat,
    mijn wond’re diamant;
    ik zal er trouw voor zorgen Heer,
    met liefdevolle hand.”
    “Dat weet ik”, sprak des Vaders stem,
    “maar als men rooft uw steen?
    Geen dief heeft ooit de drempel van
    Mijn woning overschreên.

    En waar uw dierbaar kleinood is,
    daar zal uw hart ook zijn,
    uw schat is u slechts voorgegaan
    en straalt in zonneschijn.”
    God sprak – mij trof een diepe
    blik vol deernis, mild en zacht –
    toen heeft Hij stil mijn kostb’re schat
    in veiligheid gebracht.

    In ’t vale, bleke morgenlicht,
    stond ik, verblind van smart
    en drukte toen de lege doos
    zacht schreiend aan mijn hart.
    Toch sprak ik: “Meester ik vertrouw
    op Uw onfeilbaar Woord;
    ik weet dat nu mijn liefst bezit
    ons beiden toebehoort.”

  4. Gerda says:

    Wat een diepe lessen zitten er in die twee dagboekfragmenten. Bedankt voor het delen. Het is iedere dag weer zo nodig om hierbij bepaald te worden.

Geef een reactie